Interventiestrategie dierlijke vetten

Het kernprobleem van de dierlijke vettenketen is dat er diverse momenten zijn, waarop dierlijk vet voor gebruik in diervoeder verontreinigd kan raken met verschillende stoffen die daarin niet thuishoren. Verontreinigd dierlijk vet dat wordt gebruikt in diervoeder kan leiden tot risico’s voor de dier- en/of volksgezondheid. Qua momenten in de keten lijken de (qua aantal overzichtelijke) vetrecyclingbedrijven en de (tot nu toe ongrijpbare) (tussen)handel kritisch en wat de stoffen betreft gaat het om al dan niet gevaarlijke afvalstoffen, reststromen uit de levensmiddelen- en/of voedselverwerkende industrie en afgekeurde partijen dierlijk vet.

Verontreiniging van dierlijk vet voor gebruik in diervoeder kan onbewust gebeuren, maar ook bewust, om snel geld te verdienen: afvalstoffen die in dierlijk vet worden weggemengd veranderen economisch van waarde, van negatief naar positief. Bedrijven in de sector zijn thans niet onder de indruk van de intensiteit van het toezicht en van de sancties die volgen op geconstateerde overtredingen. Dit maakt de sector, in combinatie met de mogelijkheid om snel geld te verdienen, in beginsel aantrekkelijk voor malafide personen/bedrijven. De bij toezicht, opsporing en handhaving betrokken instanties werken tot nu toe samen op ad-hoc basis of projectmatig.

De samenwerking is niet planmatig, gestructureerd, ketengericht en min of meer continu. Dit ligt mede ten grondslag aan het beeld dat bedrijven in de sector thans hebben van toezicht, opsporing en handhaving en speelt kwaadwillenden in de kaart.

De LOM-projectgroep Dierlijke vetten werkte voor het probleem een aanpak uit op strategisch (wat willen we bereiken?) en tactisch (hoe kunnen we dat bereiken?) niveau, aangevuld met een operationeel actieprogramma (wie moet wat doen?) en een voorstel voor de implementatie daarvan.